Zodra het lente is, gaat Elsewientje iedere dag naar buiten. Of het zonnetje schijnt of niet, buiten ruikt ze plantjes. Haar papa zegt wel eens dat je de plantjes kan horen groeien. Nou dat kent Elsewientje wel. Met haar poezenoortjes kan zij alle plantjes horen groeien. Maar dat vindt Elsewientje nu niet zo belangrijk. Zij wil weten of je ook een boom kan horen groeien. In het bos, vlak achter het grote huis is een oud bos. Een oud bos betekent dat er bomen staan die wel honderd jaar oud zijn. Sommige zijn soms nog ouder. Dat zijn opa- en omabomen. Als Elsewientje in het bos staat, kijkt ze in het rond welke boom zij gaat beluisteren. Het lijkt wel of hele grote opa-beukenboom haar wenkt. Met zijn gladde bast en z'n dikke takken staat hij te glimmen in het bos. Dat kan nu nog, er zitten geen bladeren aan de bomen. Zo kan de zon zijn bast en takken bereiken en het daar lekker warm maken. Elsewientje gaat dicht tegen de boom staan en legt haar oortje op een hele gladde plek. Hierdoor kan er geen ander geluid haar oortje binnenkomen. Ze wacht en wacht... Ze vindt het wel spannend want wie weet... misschien moet hij van het vele eten wel boeren. Juist nu het lente is wordt er veel gegeten door bomen en planten. Ze moeten na zo'n strenge winter aansterken om in de zomer te kunnen bloeien. Elsewientje weet, van een eerder gesprekje met een boom, dat ze elkaar wel voeren. Ja, gewoon eten geven als er een boom te zwak is om zelf voedsel te zoeken met zijn wortels. Ze vindt dat heel lief. Terwijl zij zo aan het denken is, hoort ze plotseling geluid. Alsof er een kleine stoomboot van sinterklaas aankomt. Sjoefffff, sjoeffff, sjoeffff. Het klotst, kloekt en klatert. Dat is natuurlijk het drinken van de boom. Zij moet heel goed luisteren en dan hoort zij de boom drinken. Sjoefff, sjoefff, sjoefff. Als Elsewientje tegen de stam tikt met haar vingertje, dan lijkt het alsof ze een pan water hoort klotsen. Gelukkig moet de boom niet boeren. Dat gebeurt alleen maar als hij gegeten heeft. Ze omhelst de boom en zegt: ga jij maar lekker smullen hoor, wordt maar een dikke grote boom. Door dit geluid heeft ze ook zelf dorst gekregen. Elsewientje rent naar het grote huis en vraagt haar mama een groot glas diksap want daar wordt de beukenboom ook groot en sterk van. Daar gaat hij zelfs van bloeien!
24. Krokeledocus
Zodra Elsewientje de tuin in wandelt ziet ze een veld vol
lachebekjes. Het is mooi weer in dit vroege voorjaar. De krokusjes staan
allemaal in bloei. Met wijd open vleugeltjes vangen ze de zonnestralen. Hun
hartje wordt er heel lekker door verwarmd. Een prachtige blauwe gloed ligt over
het middenterrein voor het grote huis. Dat stukje tuin staat vol met krokusjes.
Elsewientje kijkt er verbaast naar. Prachtig om te zien, maar dat niet alleen.
Ze hoort met haar poezeoortjes een geluid dat ze niet herkent. Een heel zacht een
soort zoemen, maar dat niet alleen. Het zijn verschillende tonen. Klankjes
kun je wel zeggen, want het klinkt heel zacht. Als Elsewientje wat dichterbij
de krokusjes komt hoort ze een gezang op een manier dat ze nog niet kent. Ze
loop op een krokus af, bukt zich en fluistert heel zachtjes: maak jij dit
geluid? En dan hoort ze plotseling deze krokus praten. Ze schrikt ervan. Een
krokus die kan praten bestaat toch niet! Dat kan helemaal niet. Ja hoor, zegt
de krokus. Ik ben Krokeledocus en wij kunnen mooi zingen met z'n allen.
Elsewientje's hartje klopt heel snel van opwinding en zegt: maar ik hoor geen
woordjes. Nee, antwoord Krokeledocus, woordjes zingen we niet. Wij neuriën, dat
klinkt veel beter want hierdoor lokken we de zonnestraaltjes naar ons hartje
toe. Door woordjes schrikken de zonnestraaltjes want ze moeten dan iets terug
zeggen. Wat is dan neuriën? vraagt Elsewientje. Dat is zingen met onze mondjes
dicht, als we neuriën voelen de zonnestraaltjes dat als een warm onthaal. De zonnestraaltjes begrijpen dan dat we hen echt verwelkomen. Elsewientje is het
ermee eens. Neuriën klinkt veel zachter en vriendelijker dan harde woorden. Ik
ga ook neuriën, zegt ze, dan vinden mijn vriendjes in het bos en alle dieren
misschien fijner dan dat ik hun hard roep. Elsewientje deed haar lippen stijf
op elkaar en ging zomaar een liedje zingen zonder woordjes. Het lukte! En zo
gebeurde het dat Elsewientje de hele dag in het zonnetje liep te neuriën. En
wat gebeurde er toen plotseling?... ze werd omringt door zonnestraaltjes. Zij
hadden haar neuriën ook gehoord. Toen Elsewientje later thuis kwam eten merkte
haar moeder op dat het licht van de zonnestraaltjes nog om haar heen dansten.
23. Sneeuwpoes
Het heeft gesneeuwd. De afdrukken van
poezenpootjes liggen als kleine kommetjes in de sneeuw. Elsewientje staat te
trappelen om naar buiten te gaan. Heerlijk in de sneeuw spelen. Ze wil een
grote sneeuwpop maken. Maar geen gewone sneeuwpop. Niet met zo'n wortel als
neus. Nee, ze wil een sneeuwpoes maken, een hele grote.
Haar eigen poezen-oortjes draaien weer alle
kanten op als ze buiten loopt. Ze hoort niets. Het is zo stil in de sneeuw.
Plotseling hoort ze een heel hoog stemmetje. Als zij goed luistert dan hoort ze
gegiechel en gegrap. Het zijn de sneeuwvlokjes die pardoes naar beneden vallen,
zomaar uit een wolk boven het grote huis waar Elsewientje woont. Heel veel
sneeuwvlokjes lachen zich een hoedje. Ze vinden het fijn om niet in de wolk te
moeten blijven. He, zegt Elsewientje, vinden jullie het fijn als ik een
sneeuwpoes van jullie maak? Nou, dat wilden die sneeuwvlokjes wel. Kijk, zegt
Elsewientje, als ik jullie beetpak en jullie houden elkaar stevig vast dan
wordt het een mooie stevige sneeuwpoes. Alle sneeuwvlokjes deden hun uiterste
best en Elsewientje werkte heel hard aan haar sneeuwpop, oh nee... sneeuwpoes
natuurlijk. Alle sneeuwvlokjes rolden over het veld om een grote bal te worden.
Het waren wel honderdduizend vlokjes. Ze hielden elkaar goed vast. Na een
poosje had Elsewientje een prachtige sneeuwpoes gemaakt. Met een hoge rug en
hij had een lange staart. Maar er miste nog wat... Een zwarte neus ben ik
vergeten, dacht Elsewientje. Na lang nadenken en veel zoeken zag ze een dennenappel
liggen. Omgekeerd, met het kontje naar voren leek het net de natte neus van
Minette, de huispoes van Elsewientje. Nog een flinke klap op de dennenappel en
die zat stevig in de sneeuw. Toen Elsewientje klaar was, vroeg ze alle
sneeuwvlokjes een mauwgeluid te maken. Een geluid als van een echte poes. Dat
wilden ze wel. En alle honderdduizend sneeuwvlokjes mauwden tegelijk. Wat er
toen gebeurde... Minette had het gehoord en sprong met een grote aanloop boven
op de sneeuwpoes waardoor alle sneeuwvlokjes zo schrokken dat ze elkaar
loslieten. Minette lag midden in een hoop sneeuw te spartelen. Elsewientje
hoorde Minette bijna huilen en sprong haar gauw te hulp en legde haar Minette
in het grote huis, dicht bij de haard, te drogen. Nee, ze hoefde niet aan de
waslijn te drogen, had Elsewientjes moeder gezegd. Voor de haard is het lekker
warm en is ze zo droog. Opgewonden vertelde ze haar moeder van de
sneeuwvlokjes, de dennenappel en de brutale Minette en van het grote avontuur
dat ze samen beleefden toen de vlokjes zo schrokken.
22. Maanmannetje
Het
liep al tegen de zomer. De warmte van de dag hing nog in Elsewientjes
slaapkamer. De volle maan scheen zo fel dat Elsewientje niet kon slapen.
Verderop in het dorp joelde een hond. Die zag de volle maan ook al. Zou die
hond ook niet kunnen slapen, dacht Elsewientje. Na heel wat gedraai en gewoel,
sprong ze uit haar bedje en keek uit het raam. De maan leek wel een hele grote
witte voetbal. Ook leek de maan wel op een lamp uit de kamer waar zij met z’n
allen altijd eten. Toen Elsewientje nog eens naar de maan keek, zag ze een
gezichtje dat naar haar lachte. Een echt gezichtje. Ze geloofde het niet, maar
het was echt zo. Ze spitste haar poezenoortjes, want misschien kon ze horen wat
het gezichtje zei. Plotseling hoorde ze lachen en de wangetjes van het
maanmannetje wipten vrolijk op en neer. Je kunt me niet verstaan, zei hij, ik
sta veel te ver weg. Welles, zei ELsewientje, ik hoor je toch lachen. En meteen
vroeg ze waarom hij zo vrolijk was. Het maanmannetje bulderde van het lachen...
Ha, ha, ha, hah. Waarom, ik zo vrolijk ben? Kijk nou zelf eens uit je raam, hoe
mooi de wereld wordt als ik met mijn spiegel naar jullie toe schijn.
Met
je spiegel schijnen? vroeg Elsewientje, ik zie geen spiegel. Nee, riep het
maanmannetje, daarvoor ben ik te ver weg. Maar met mijn spiegel vang ik het
licht van de zon op en schijn dat s’nachts naar jullie. Dan ziet de wereld er nog
mooier uit. Zelf de dieren zingen me dan toe. Luister maar naar de honden. Die
zingen allemaal in koor, omdat het licht hen blij maakt. Nou, zei Elsewientje,
berg je spiegel dan maar gauw op want ik wil nu slapen. Dan houden de honden
ook op met zingen. Oké zei het maanmannetje. Ik doe nu toch ook de gordijnen
dicht, er komen een paar flinke wolken. Die wolken gaan vast en zeker voor de
spiegel staan, want ze vinden zichzelf zo mooi. Elsewientje zag een paar
donkere wolken aankomen en plotseling was het niet meer zo licht in haar
kamertje. Ook de honden hielden op met joelen. Zestapte weer in haar bedje en
de koude voetjes werden weer snel warm, want het was immers bijna zomer.
21. Lentestraaltje
Het woei, en woei en waaide.
De wind rukte aan alle bomen en alle planten. Wakker worden! riep de wind.
Wakker worden! het is bijna lente. De bomen stonden nog wat te dutten. Ook zij
waren in winterslaap gegaan. Maar nu de wind zo hard aan hun takken rukte, moesten
ze wel wakker worden. Ook Elsewientje ging altijd in het voorjaar de bomen
wakker maken. Ze klopte op de stam van de boom een riep dan heel hard, wakker
worden, wakker worden! Alle knopjes aan de takken en aan de planten sliepen nog
een beetje. Als zij niet wakker worden dan zouden ze het lentestraaltje
missen.
Vroeg in de lente komt
soms heel even een zonnestraaltje door de wolken naar beneden. Haar warme
lippen kusten dan de knopjes aan de takken. Als dat gebeurde, sprongen zij van
blijdschap open. Als ze nog zouden slapen, dan misten ze het lentestraaltje en
de blijheid van hun ontmoeting. Elsewientje kende die blijheid omdat haar
poezeoortjes de knopjes hoorde juichen. Als Lentestraaltje hen kusten was het een
blij juichen van jewelste, blijde roepjes, en juichende kreetjes van plezier.
Ohhh, haaaa, hiiii, riepen ze dan en plotseling zag je hun blaadjes openkrullen
om nog meer zonnestraaltjes te kunnen krijgen.
Nu zo vroeg in de lente
staat de zon heel laag aan de hemel daardoor kan Lentestraaltje snel even
langskomen. Maar in de schaduw van het grote huis was het donker. Ook daar
stonden veel bomen. Die konden Lentestraaltje niet ontmoeten. Elsewientje vond
dat heel zielig en heeft daar wat op bedacht. In de oude schuur staat een grote
spiegel, dacht ze. Ze zet die op precies de goede plek in de tuin. De spiegel
weerkaatst direct de zon een andere kant op. Weerkaatst het licht regelrecht naar
de schaduw. Het spiegelbeeld van de zon maakte de schaduw lichter en ook de
knopjes van die bomen konden zo Lentestraaltje ontmoeten en ze kusten haar dat
het van belang was. Vanaf die dag zie je een groene sluier over het bos hangen
als teken dat de Lentestraaltje op bezoek is geweest en de lente echt in
aantocht is.
20. Muizenoor
Wachten duurt altijd lang. Dat vond Elsewientje ook. Zij en haar vriendje Binky hadden een afspraak gemaakt met heer Spitsneus. Zijn vriendin, juffrouw Muizenoor, zou daar dan ook bij zijn.
's Morgens om half tien hadden ze afgesproken. De sneeuw lag nog als een dikke deken over de weilanden. De sneeuw kraakte zelfs. In het bos lag ietsje minder omdat de warmte van de bomen de ergste kou tegenhield. Bij de hut van Binky en Elsewientje was ook nog wat verse sneeuw gevallen. Dat konden ze zien omdat hun voetstappen van gisteren waren verdwenen. Binky stak als eerste zijn hoofd om de hoek van de ingang van de hut. 'Komen wij gelegen?' vroeg hij. Elsewientje hoorde hen wel antwoorden, maar Binky wenkte al met zijn hand dat ook Elsewientje binnen kon komen. Zij zag twee kleine muisjes zitten in een hoekje. Allebei hadden ze een zelf gebreide muts op en hele kleine wantjes aan hun pootjes. 'Dag mevrouw en meneer,' zei Elsewientje en ze boog haar hoofd omdat ze het heel knap vond dat de muisjes met Binky en haar konden praten. Zowel meneer Spitsneus als juffrouw Muizenoor keken Elsewientje bibberend van de kou en verwonderd aan. 'Wwwwwat heeft u vvvvvreemde oren, het lijken wel pppppoeze-oren. U bbbbbbent toch geen poes?' Elsewientje lachte zo hard dat de sneeuw van het dak rolde. Ze vertelde van haar bijzondere oortjes die alle kanten op konden draaien en elk geluidje kon horen en dieren kon verstaan. Ze liet weten dat ze daarmee geboren was en heel blij was Dat ze daardoor met alle dieren en bloemen en bomen kon praten.
Bink vroeg waarom de muisjes in de hut waren komen wonen. Het was toch de hut van Elsewientje en van hem. En toen vertelden meneer en juffouw hun hele verhaal: van hun holletje, van de sneeuw en van de kou en de tocht. Hoe ze gestoord zijn in hun slaap door een gravend hondbeest. Dat ze daar wegmoesten omdat ze anders zouden bevriezen van de kou. De pluimpjes op hun gebreide mutsjes dansden wel vrolijk heen en weer toen zij het verhaal vertelden maar ze waren niet blij. Hun beide snuitjes waren donkerrood en hun staartjes stonden stijf van de kou. Binky had een plan. In de schuur van het grote huis lagen nog twee grote dikke warme wanten met bont vanbinnen. Die mochten de muisjes net zolang gebruiken als zij wilden... jawel, maar op voorwaarde dat ze na de winterslaap, bij Binky en Elsewientje vaak in de hut op bezoek zouden komen. Nou dat aanbod vonden de muisjes prachtig, want ze hadden een hoop verhalen te vertellen. Van de uilen in het bos, de katten en de dassen. Van de pechspecht en zelfs van Woud & Maud. Die kenden zij ook. En ook van de kinderen die met hun moeders en vaders een wandeling maakten en zo konden springen en stampen. Veel, heel veel verhalen konden de muisjes vertellen. Die winter sliepen meneer Spitsneus en juffrouw Muizenoor iedere dag en iedere nacht in de warme wollen wanten uit de schuur van het grote huis. En steeds wanneer Elsewientje deze winter langs loopt en ze draait haar poeze-oortjes in de richting van de hut, dan hoort ze een gesnurk, gefliep en geflater dat het een lieve lust is. Ze kon bijna niet wachten tot het lente werd.
19. Spitsneus
Het sneeuwt. Een zachte witte deken heeft alle planten, bomen, bolletjes
en holletjes van langslapers toegedekt. Veel dieren zijn nu in winterslaap. Het
zijn langslapers. Het is ook lekker warm onder de sneeuw. De ijzige vrieskou
kan er dan niet bij. Dat had Elsewientje al eens gehoord van de dieren in het
bos die de hele winter sliepen. Heerlijk een paar maanden languit in je
holletje en dan als het lente wordt, uitgerust opstaan; klaar voor een heel
nieuw jaar. Dat leek Elsewientje ook wel wat. Samen met haar vriendje Binky had
ze in het bos een hut gebouwd. Een heuvel van takken en bladeren, van plaggen
en mos. Als de bomen hun bladeren lieten vallen gebeurde dat ook rond de hut.
Ze bedekten zo de hut. Er kon geen druppeltje regen meer binnen komen. Soms
zaten Binky en Elsewientje lekker droog in de hut en vandaag is het soms. Ze
vertellen elkaar de laatste gebeurtenissen. Van de eekhoorn die zijn voorraad
nootjes niet meer terug kon vinden. Van de krekel die helemaal niet voor een
wintermaaltijd had gezorgd. En hoe het kwam dat de eenden in de poel in de
winter geen koude pootjes kregen. Het waren spannende verhalen en daarom was het
altijd gezellig om in de hut te zijn.
Maar nu was de hut niet met bladeren bedekt, maar met een dikke
laag sneeuw. Binky en Elsewientje konden de hut bijna niet vinden. En er
inkruipen dat lukte maar zo, zo.
Plotseling zegt Binky: “Als we in de hut iets te eten zetten,
dan hebben de dieren ook wat.”
‘Jotem,’ zei Elsewientje dat is een goed idee. Beide renden naar
huis om wat noten, zaadjes en havervlokken te halen. Elsewientje nam ook wat
voer van de poes mee. Daar houden egeltjes zo van, dacht ze. Toen ze bij de hut
aankwamen, waren ze niet alleen. Binky en Elsewientje zagen hele grote dieren
voetstappen. ‘Dat heten sporen, joh,’ zei Binkey. Die voetstappen of sporen
liepen naar de ingang van de hut. ‘Ik durf er niet in,’ zei Elsewientje. Binky
die zichzelf heel stoer vond, stond te twijfelen maar ging als eerste naar
binnen. Het duurde lang voordat hij weer de hut uitkwam. De tranen liepen over zijn wangen. Nee, niet van het huilen,
maar van het lachen. In de hut zat een heel klein muisje. Heer Spitsneus noemde
hij zich. Heer spitsneus was een slimme muis. Die kent alle geheimen van het
bos. En… als er geen bladeren aan de bomen zitten, dan zijn bosuilen hun
grootste vijand. Heer Spitsneus had van takjes grote vogel sporen gemaakt en
aan zijn pootjes gebonden. Iedereen die deze sporen zag zou nooit aan een muis
denken, maar aan een groot dier. Elsewientje vond dat ook heel knap gedacht en
wilde graag met heer Spitsneus kennis maken. Nee, zei Binky, dat gaat zo maar
niet. Heer Spitsneus wil een afspraak maken. Een afspraak voor morgen, dan is
zijn vriendin, juffrouw Muizenoor, er ook bij. 'Afgesproken,' zei Elewientje, 'dat
doen we. Tot morgen dan maar weer.'
Abonneren op:
Posts (Atom)