51. Dennendauw

Vorige week had Elsewientje het kerstboompje gratis gekregen van de kerstbomen man. Vanavond mag ze het in haar kamertje zetten en versieren. Nee, ze versiert het niet met glinsterende ballen of poezelige engeltjes. Elsewientje wil de kerstversiering zelf maken. Elsewienje ging gisteren het bos in om eikeltjes en kastanjes zoeken en ze nam ook een aantal dennenappels en elseproppen mee. Een hele grote emmer is gevuld met alle versieringen die ze zo maar in de natuur kon vinden.  

Ploteseling wordt er gebeld. Het is Binky haar vriendje. 

‘Hé, Elsewientje, wat ben je aan het doen’

‘Ik ga kerstversieringen maken voor Sprietertje, het kleine sprieterige kerstboompje die op mijn kamer staat.’ 

‘Oh ja’, dat is waar ook. Vorige week hielp ik je vader met het sjouwen van die hele grote kerstboom en jij had toen dat magere ding onder je arm. Versieren? Moet dat?’

‘Ja, ik wil alle dingetjes zilver schilderen en dan in de boom hangen.’

Als Elsewientje in haar kamertje komt en aan Binky uitlegt wat ze wil doen, hoort ze het boompje roepen:

‘Nee. Nee. Nee. Dat wil ik niet. Ik wil alleen maar echte dennenappeltjes en niet schilderen. Dennenappeltjes zijn onze kinderen, kinderen van de dennenboom. Die wil ik! Dennenappeltjes met dennendauw.

Nou, zegt Elsewientje, ‘Jij hebt een willetje.’

Binky staat raar te kijken. Hij denkt dat Elsewientje het tegen hem heeft. Hij kan het kerstboompje niet verstaan. Hij heeft geen poezenoortjes.

‘Hé zeg, heb je het tegen mij?’

‘Nee joh,' zegt Elsewientje, 'het boompje wil alleen maar dennenappeltjes en het liefst ongeschilderd.’

‘Nou dan doen we dat toch. Waar een wil is, is een wet.’

Vanaf dat moment hangt Elsewientje en Binky het boompje vol met echte dennenappeltjes. Het hangt tjokvol. De takken gaan iets omhoog, zo blij is het boompje.

Als alle versieringen van dennenappels erin hangen, dan zitten Elsewientje en Binky er lange tijd naar te kijken. 

Elsewientje hoort met haar draaiende poezenoortjes het boompje van blijdschap kirren. Krkrrr, krkrrr, krkrrr.

Het sprieterige boompje is heel gelukkig zegt ze en Elsewientje weet het nu zeker. Het wordt een hele mooie kerst met veel geluk.

50. Sprietertje

 Het zijn de donkere dagen voor kerst" zegt mijn vader altijd. Nou, ik vind het juist hele fijne dagen. We gaan dan een kerstboom kopen. Ik sta nu al met mijn jas aan te wachten. Papa treuzelt zo erg, ik kan niet wachten.

Elsewientje staat in de gang op haar vader te wachten. Ze heeft haar wanten al aan en wil graag een hele hoge kerstboom. Zo een waar je de piek bijna niet meer kan zien en waar een hele boel kadootjes onder kunnen.

Eindelijk komt haar vader er aan en zodra ze in de auto willen stappen, komt Binky haar vriendje er aan. 

'Mag ik mee', roept Bink. Alleen als je moeder het goed vind hoor', zegt Elsewientje.

Ik ahum ik bel wel even.'

Elsewientjes vader belt en hoort dat de mama van Binky het goed vind.

'Jottum, mag ik  de kerstboom dan mee helpen dragen?'

Bij de markt aangekomen, zien ze een heleboel kerstbomen. 

Elsewientjes vader loopt meteen naar een afdeling waar grote bomen staan.

Met kluit, zegt hij. Elsewientje weet niet wat hij bedoelt en Bink zegt: Watte? Met watte? 

'Met Een kluit,' antwoord vader. Dan kunnen we hem na de kerst in de tuin zetten en leeft de boom gewoon door.

Elsewientje hoort hen niet praten, haar poezenoortjes draaien weer alle kanten op en ze hoort de bomen allemaal roepen: 'Neem mij, neem mij. Ik wil graag een ketting met lichtjes.'

'Ik wil wel een kroon op mijn hoofd' zegt een andere boom. Alle bomen praten doorelkaar heen en denken misschien dat de mensen ze verstaan. Het is alleen Elsewientje die hen hoort. Plotseling hoort ze naast zich een heel klein stemmetje.

'Ik ben maar heel klein en erg sprieterig, daarom heet ik zo, sprietertje. Ik sta hier al zo lang en niemand wil mij hebben. Ik wil ook licht geven met kerst'

Elsewientje ziet een heel klein kerstboompje staan. Een beetje kaal en het boompje is zo klein dat er geen kadootjes onder kunnen. 

'Ik heb geen kluit maar wel worteltjes, hoor.'

'Worteltjes? Zegt Elsewientje, kun je na de kerst dan ook verder leven in het bos?'

'Ik zal mijn best doen, maar neem me dan mee.'

Zodra Elsewientje dit hoort draait ze zich om en roep haar papa.

'Ik wil deze boom'. roept ze. Echt waar, deze moet 't worden.

Nou, dat zullen we wel eens zien'. En haar vader heeft al een hele grote bombastische kerstboom in zijn handen.

Nee, nee, nee deze kleine wil ik hebben, zegt Elsewientje.

Als haar vader gaat betalen, wijst hij de bomenman op dat kleine boompje.

Elsewientje mag 'm gratis meenemen voor op haar kamertje.

Binky en papa sjouwen de grote boom naar de auto en Elsewientje... die loopt met haar sprieterige boompje onder haar arm en wil 'm niet meer loslaten.

Dat wordt een leuke kerst in mijn eigen kamertje.

En zo gebeurde het dat papa, Binky en Elsewientje met twee kerstbomen thuis kwamen.

 

 

49. Peperbrokken

Het is al bijna vijf december, pakjesavond. Elsewientje mag altijd de week ervoor haar schoen zetten. Omdat het grote huis geen kachel meer heeft zet ze haar schoen buiten bij de tuinhaard. Iedere avond, voordat Elsewientje naar bed gaar mag ze even op haar blote voetjes de tuin in om onder het afdak haar schoentjes te zetten. Dat gebeurde vorige week ook en toe zij die ochtend vroeg ging kijken of er wat in haar schoentjes zat, schrok ze heel erg. Geen cadeautje of pepernoten. Geen marsepijn of speculaaspop. Zelfs geen kruimeltje zat in haar schoen. Minette de poes lag languit tussen haar schoentjes. En Elsewientje hoorde het al zodra ze naar buiten kwam.

Ohooo, ohoooo...

Wat is er vroeg Elsewientje want met haar draaiende poezenoortjes kon ze Minette de huispoes goed verstaan. 

Ohooo, ik ben zo misselijk, zo naar en vervelend in mijn buikje. Het voelt wel of ik een steen gegeten heb. Het waren alleen maar bruine brokken.'

'Wat? Roept Elsewientje, heb jij vannacht alle pepernoten opgegeten? Dat mag niet hoor. Ik eet toch ook niet jouw kattenbrokken op?

Ohoooo, nee, maar dat helpt nu niet meer. Als je nu kattenbrokken zegt word ik daar alleen maar misselijker van. Ohoooo.

En toen gaf Elsewientje een goede raad. 'Zeg Minette, jij moet wat gras gaan eten. Als  een poes dat doet, dan gaat de misselijkheid zo weg. Dat had Elsewientje al eens van haar papa gehoord en dat werkte bij poezen altijd.

Minette vond een heel goed idee en hapte wat gras uit de tuin.

Sindsdien hield de pijn in het buikje van Minette op en vindt Elsewientje vanaf die dag heel veel lekkers en cadeautjes in haar schoentjes. Minette eet er nooit meer van. Die had wel genoeg gehad.

48. Eggi Bekki

Het is vandaag bladerendag. De papa van Elsewientje blaast alle bladeren in de tuin bijelkaar. Daar heeft hij zo'n ding voor die heel hard geluid maakt. Elsewientje mag de bladeren in de bak gooien. Dat is heel hard werken want er zijn veel bladeren van de bomen gevallen. Als Elsewientje weer een hoopje bladeren in haar armen heeft, hoort ze iets piepen. Haar poezenoortjes draaien in 't rond om te horen waar dat piepen vandaan komt. Het geluid komt uit de bladeren vandaan; uit het hoopje dat Elsewientje in haar armen heeft.

'Hallo daar, wie piept daar zo,' vraagt ze. En heel zacht roept een klein stemmetje: 'ikke, ikke.

Wie is ikke dan?

Ikke, Eggi de egel.

Als Elsewientje de bladeren weer op de grond laat vallen ziet ze een heel klein egeltje vallen. Voorzichtig pakt ze 'm op en vraagt: 'Wat is er aan de hand? Waarom zit je tussen de bladeren?

Het egeltje wrijft de slaap uit z'n oogjes en antwoordt: 'Ik was begonnen aan mijn winterslaap. Lekker liggen tussen de bladeren. Het was zeker geen goed plekje?'

Dommerd, antwoordt Elsewientje, je moet toch een goed en warm plekje zoeken voor de winter als het sneeuwt. Niet zomaar tussen de bladeren gaan liggen.'

Terwijl zij zo aan het praten zijn, loopt Elsewientje naar de schuur en zoekt daar een fijn plekje tussen het hooi.

'Kijk, hier lig je warm en kan jij je winterslaap beginnen. Niemand kan hier deze winter jou storen.'

Als zij het egeltje voorzichtig neerlegt, hoort ze hem gapen. Het egeltje heeft zo'n slaap dat het niet eens meer 'dank je wel kan zeggen'.

Lachend loopt Elsewientje weer naar buiten. Haar papa staat haar al op te wachten. Waar ben je nou? De berg bladeren wordt wel heel groot hoor. Zegt hij. En Elsewientje gaat weer aan het werk. Het voelt heel fijn dat ze het egeltje heeft gered. Dat maakt het werk nu nog leuker. 

Als Elsewientje s’avonds in haar bedje ligt, dan denkt ze aan het egeltje en 't warme nestje in het hooi. Als ze bijna in slaapt valt merkt je dat de redding een heel warm gevoel geeft.

 

47. Slingeren

Wat een wind, wat een woei. Echt herfst vindt Elsewientje. Wind hoort bij de herfst, dan kunnen de blaadjes van de bomen  er snel vanaf vallen.  Volgende week zal papa wel alle bladeren moet vegen. Het gras mag natuurlijk niet worden bedekt met alleen maar bladeren. Terwijl Elsewientje zo om zich heen kijkt in de tuin hoort ze vlakbij een grote dennenappel vallen die neem ik mee naar huis, zegt ze tegen zichzelf.

Op de grond liggen er nog veel meer. De dennenappels hebben allemaal schubben. Daar kan ze papiertjes in stoppen. Papiertjes van verschillende kleuren en met verschillende tekeningen erop. Als ze thuis komt vraagt ze aan haar mama draad op ze in haar kamertje op te hangen. Het wordt een feestelijke slinger van kleurige dennenappels. Een echte herfstslinger. Mama helpt haar met de slinger en de papiertjes. Elsewientje kan al schrijven... ze schrijft  op ieder papiertje ook een klein woordje: papa, mama en lief... oh ja en opa en oma.... poes dat was een moeilijke!

Kus dat is gemakkelijk. Dan hou je gewoon je lippen tegen het papier. Dat is toch ook een kus.

Als,de slinger klaar is hangt papa hem op. Hij is wel zo groot dat er wel honderd dennenappels aan zitten. En als ze savonds in haar bedje ligt dan hoort ze met haar poezenoortjes  al deze dennenappeltjes juichen en zingen. Ze maken er een feest van, want ze liggen niet in de koude aarde van de tuin en hebben nu allemaal een briefje tussen hun schubben. Het lijken wel warme mutsjes. Met die gedachten valt Elsewientje in slaap.

46. Winter wurmen

In deze tijd van het jaar maakt de papa van Elsewientje altijd de tuin winterklaar. Dat betekent dat de voetjes van planten bedekt worden met een heerlijk warm dekentje van stroo. Elsewientje wil haar papa natuurlijk helpen en als zij zo druk aan het werk zijn, zien ze Binky, haar vriendje, verderop met een schep in de grond bezig.

Hij beweegt de schep heen-en-weer en op-en-neer. Hij staat er puffend bij te kijken.

Hè Bink, wat ben je aan ’t doen, joh?
‘Ik ben aan het wurmen zoeken.’

‘Wurmen aan het zoeken? Waarom doe je dat? Ik ga nog even vissen en dan doe ik zo'n lekkere vette wurm aan het haakje. Dat lusten vissen wel, hoor.’

‘Ach bah, niet doen joh, vissen lusten ook brood, dan doe je dat toch aan je haak, een lekker deegje. Dat doet zo’n wurm heel veel pijn hoor. `En wurmen hebben we in de tuin nodig want zij eten alle viezigheid op en poepen dan goeie mest uit. Dat eten de planten weer op. Daarom is onze tuin in de zomer zo mooi. Dat doen die wurmen. Nee hoor ze niet aan een haak doen, dan gaan ze dood!’

‘Ohhh,’

 Binky staat er wat beteuterd bij te kijken. Hij had zo'n mooi plannetje om te gaan vissen....

‘Zal ik dan je papa gaan helpen met het stroo?’

‘Super, dat is fijn dan heeft hij nog meer hulp.’

Bink laat de schep staan en hij helpt samen met Elsewientje de plantjes toedekken.

En... wat Elsewientje hem niet vertelt is, dat zij met haar poezenoortjes de stemmetjes van de wurmen kan opvangen. Ze kon onder de grond, de wurmen horen juichen. Gelukkig was er geen gevaar meer en konden de wurmen alle plantjes verwennen voor de winter.

45. Gesp de wesp

"Wespen zijn nare beesten,' zegt Bink. Het vriendje van Elsewientje zegt dat altijd. Zij geloofd dat niet. ‘Dieren zijn nooit naar en vervelend, als je ze maar niet pest,’ zegt zij hem steeds. Soms hoort Elsewientje de wespen praten. Door haar scherpe poezenoortjes lukt dat goed. Hun stemmetjes zijn dan heel zacht en lieflijk. Maar o wee, als je ze slaat of probeert te vangen. Daar zijn ze niet van gediend. Ze beginnen dat te zoemen en brommen en slaan hard terug door te steken, meestal doen ze dat met meerdere kameraden. Op een morgen ontdekte Elsewientje op het terras een aantal wespen. Zij zochten iets, maar konden het waarschijnlijk niet vinden. Elsewientje probeerde hun te verstaan en richtte haar poezenoortjes precies naar de groep wespen. Ze hoorde dat ze een mooi plekje zochten voor hun wespennest. 'Hé daar,' riep Elsewientje en plotseling keek een van de wespen om en zag Elsewientje. Voor haar neus bleef de wesp stil in de lucht hangen en zei: 'Wat mot je, wil je een prik?' 'Mag ik me eerst voorstellen,' zei Elsewientje. 'Ik ben Elsewientje en woon hier al heel lang, willen jullie hier ook komen wonen?' De wesp antwoordde: 'Ik ben Gesp en ja wij willen hier een nest bouwen. Bezwaar? Dan stuur ik wel een paar priksoldaten op je af.' Ho, ho' zei Elsewientje, 'Ik doe niets en wil geen soldaten, ik vraag alleen maar wat. Gesp, wat een leuke naam, hebben jullie soldaten?' Ja, hoor antwoordde Gesp. Ons volk bestaat uit verschillende wespen met ieder een eigen taakje. Sommigen zijn kinderjuffrouw, andere bouwvakkers, zij bouwen onze nesten. We hebben ook verkenners zoals ik en soldaten.' Elsewientje deed een stapje achteruit, want een wesp die zo dichtbij is, vertrouwt ze toch niet. 'Tjonge wat een volk. Maar als jullie hier in de tuin komen, dan steken jullie natuurlijk papa, mama en mij. Oh, en natuurlijk onze bezoekers, vrienden en familie?' 

Daar moest Gesp even over nadenken. 'Steken doen we wel, maar alleen als jullie ons wegjagen of slaan. Dan komen de gevechtstroepen heel snel in actie.'

Op dat moment kwam Elsewientje op een idee: 'Als wij jullie nou niets doen, dan kunnen we toch allemáál veel plezier beleven? 'Oke,' antwoordde Gesp, 'ik zal het even aan de anderen vragen. We verkennen dan wel alle mensen die hier gaan zitten. Als zij ons even rond laten kijken, zonder ons te slaan of weg te jagen, dan kunnen we best zonder te prikken samenleven.'

Sinds die afspraak, genieten de wespen, Elsewientje en haar vriendjes samen van de mooie tuin, zonder steek en prikgevecht. Dank zij de Gesp de wesp, want alle wespen, zelfs de koningin was het ermee eens. Zonder soldaten is het veel fijner in het nest en... voor geen van allen is het nodig om bang te zijn.